Een dag duurt heel lang als je niks hebt
Robbert Brouwer weet hoe het is om dakloos te zijn. Nu zet hij die ervaring iedere dag in voor anderen.

Als Robbert Brouwer over dakloosheid praat, doet hij dat niet vanuit een boek of een opleiding. Hij weet hoe het voelt om nergens naartoe te kunnen. Om buiten te slapen. Om honger te hebben. Om steeds opnieuw tegen regels en loketten aan te lopen. Juist die ervaring maakt hem vandaag de dag zo gedreven in zijn werk bij Stichting Lumen Holland Rijnland. Als belangenbehartiger, cliëntondersteuner en ervaringsdeskundige staat hij naast mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen. “Ik wil gewoon dat niemand wordt losgelaten.”
“Ik ben van mijn achttiende tot ongeveer mijn vierentwintigste dakloos geweest,” vertelt Robbert. “De eerste tijd sliep ik onder een trap, vlak bij het huis van mijn moeder. Ik mocht niet meer naar binnen, maar die plek voelde nog een beetje veilig. Overdag liep ik de hele stad door. Op zoek naar eten. Op zoek naar een manier om verder te komen.”
Een woning vinden bleek vrijwel onmogelijk. “Ik kwam in een vicieuze cirkel terecht. Voor een huis had ik een uitkering nodig. Voor een uitkering had ik een adres nodig. En zonder huis had ik geen adres. Dan kom je gewoon nergens meer tussen.”
‘Ik wilde gewoon een rustig leven’
Zijn leven veranderde toen iemand uit een kerk hem opving. Toch is dat volgens Robbert niet het hele verhaal. “Natuurlijk hebben mensen mij geholpen. Maar uiteindelijk moest ik zelf blijven geloven dat het anders kon. Ik wilde eigenlijk maar drie dingen: een huis, een vrouw en een rustig leven. Daar heb ik altijd voor gevochten.”
Die rust is voor hem nog steeds essentieel. “Ik heb autisme, OCD en nog een aantal dingen waar ik mijn hele leven mee leer omgaan. Juist daarom weet ik hoe belangrijk een veilige basis is. Als je geen rust hebt, wordt alles ingewikkelder.”
Mensen vallen tussen de regels
Vandaag gebruikt Robbert zijn eigen ervaringen om anderen te helpen. Bij Lumen ondersteunt hij mensen die dak- of thuisloos zijn, helpt met praktische zaken zoals een postadres of schuldhulp en kijkt samen met mensen naar mogelijkheden als zij vastlopen in de reguliere hulpverlening. “Bij ons komen vaak de mensen die overal nét buiten vallen. Mensen die geen passende opvang krijgen of niet door de toegang heen komen. Dan kijken wij: wat is er wél mogelijk?”
Soms gaat het om iets ogenschijnlijk eenvoudigs. Een jongen die in Noordwijk al een postadres heeft, vraagt op donderdag er in Leiden opnieuw een aan. In plaats van de informatie over te nemen, begint de procedure opnieuw. “Dan zit iemand ondertussen tot dinsdag te wachten. Als hij vandaag gewoon een ja had gehad, had hij morgen een voorschot kunnen regelen en had hij eten gehad voor het weekend.”
Hij hoopt dat professionals zich vaker realiseren wat zo’n wachttijd betekent. “Een dag duurt heel lang als je niks hebt. Dat vergeten mensen soms. Als jij geen eten hebt, geen bed hebt en niet weet waar je morgen bent, dan zijn drie dagen ontzettend lang.”
‘Kijk eerst naar wat wél kan’
Volgens Robbert begint goede ondersteuning met een andere blik. “Bij veel loketten wordt eerst gekeken waarom iemand niet geholpen kan worden. Terwijl de eerste vraag zou moeten zijn: ‘Wat heb je nodig?’” Ook als iets ingewikkeld lijkt, is er volgens hem altijd wel íéts mogelijk.
Ook de beeldvorming over dakloosheid mag wat hem betreft veranderen. “Het grootste misverstand is dat veel mensen denken dat dakloosheid hun nooit zal overkomen. Of dat het alleen gaat om mensen met verslavingen of psychische problemen. Maar ik heb advocaten op straat gezien. Hoogopgeleide mensen. Mensen die baan kwijtraken en daardoor in de problemen komen. Het kan iedereen overkomen. Niet iedereen is vies, verslaafd of laagopgeleid.”
Een gratis lunch is meer dan een maaltijd
Een van de initiatieven waar Robbert zich met veel enthousiasme voor inzet, is de gratis lunch voor mensen die dak- of thuisloos zijn. Samen met collega’s deelt hij kaartjes uit om mensen uit te nodigen. “Wij kunnen niemand een huis geven. Dat zou ik het allerliefste willen. Maar we kunnen wél zorgen dat iemand een goede maaltijd krijgt, zich welkom voelt en een gesprek kan voeren.”
Dat gesprek is misschien nog wel belangrijker dan de lunch zelf. “Daardoor leren we mensen kennen. We horen wat er speelt. We zien waar mensen vastlopen. En die signalen nemen we weer mee naar gemeenten en andere organisaties. Zo help je niet alleen één persoon, maar kun je ook proberen iets in het systeem te veranderen.”